De geschiedenis van Al-Falah

 

De geschiedenis van Al-Falah

Een opvanghuis voor kansarme jongeren van Quetta

Father Otto was een Nederlandse Franciscaan die het grootste deel van zijn leven zich heeft ingezet voor de allerarmsten in Quetta, Pakistan. Dat waren vooral Christenen, die minder dan 1 procent van de bevolking daar uitmaken. Hij zag dat goed onderwijs voor hen een uitweg zou kunnen zijn uit hun uitzichtloze situatie en besloot ongeveer 45 jaar geleden om een opvanghuis te openen waar jongens vanaf tien jaar uit probleemgezinnen hulp kregen bij hun huiswerk en waar zij onderdak konden krijgen in noodgevallen. Hij stimuleerde hen en hun ouders om hun schoolopleiding af te maken, zorgde voor goed lesmateriaal en (later) voor computers. Ook bracht hij wat plezier in hun leven door muziekonderwijs met concerten en zangwedstrijden, gezamenlijke uitjes en meer.  In de loop der jaren kwamen  veel Nederlanders naar Quetta om te werken in ontwikkelingssamenwerking. Zij waren onder de indruk van Otto’s werk en steunden het op allerlei manieren, bijvoorbeeld met lesmateriaal, computers en muziekinstrumenten. Ook hoogwaardigheidsbekleders in de sector, onder wie prins Claus, kwamen met zijn werk in aanraking.

De laatste jaren van zijn leven hield hij zich veel bezig met de toekomst van Al-Falah,. Hij maakte zich zorgen over twee dingen. Ten eerste had het tehuis geen vaste inkomsten. Het was steeds afhankelijk van giften. Hij had wel een spaarrekening geopend voor de lopende kosten van het tehuis in de toekomst. In de tweede plaats moest hij een opvolger zien te vinden. Hij probeerde  een assistent op te leiden, maar dat lukte niet. Ook een vervanger tijdens Otto’s vakantie bleek geen optie te zijn. Daarna probeerde hij het met een groep van voormalige studenten uit het tehuis. Deze groep werd formeel geregistreerd bij de overheid als Najat, een lokale NGO met een sociale doelstelling. Het doel was een legale structuur te vinden voor het tehuis. De jongens en meisjes van Najat waren zeer gemotiveerd, maar bleken uiteindelijk te jong en onervaren om de volle verantwoordelijkheid voor Al-Falah te dragen. 

Toen father Otto in 2001 plotseling overleed aan de astma die hij in het woestijnklimaat had opgedaan, was er dus geen opvolger en ook de financiën waren niet geregeld. Op zijn herdenkingsdienst in Delft hebben toen een groep van zijn Nederlandse supporters besloten om de stichting Friends of Al-Falah op te richten met het doel het werk van Otto Postma voort te zetten.

Onmiddellijk na Otto’s dood nam master Sadiq, de man die de dagelijkse leiding had, de zorg en verantwoordelijkheid voor het jongerenhuis over onder supervisie van de Franciscanen. Daarna volgde een korte periode met een team van mensen, die aangesteld waren door de bisschop van Hyderabad. Vervolgens werd Younus Barkat aangesteld door de vicaris van Quetta. Eind 2004 werd een overeenkomst gesloten tussen het vicariaat van Quetta en de Salesianen. Deze bepaalde dat de Salesianen de verantwoordelijkheid voor het tehuis op zich zouden nemen voor een periode van vijf jaar.  De financiën werden hierin ook geregeld. Het vicariaat en Friends of Al-Falah zouden garant staan voor de kosten.

Na een juridische procedure  had het vicariaat de zeggenschap gekregen over het spaargeld van father Otto. De rente over dit spaargeld zou gebruikt worden voor de lopende kosten van het tehuis. Friends of Al-Falah zou zijn aandeel gaan betalen met giften uit Nederland. Het Nederlandse aandeel werd jaarlijks betaald. Het vicariaat moest herhaaldelijk gemaand worden om te betalen. Hun financieel beleid was nooit transparant en er was geen overleg met Al-Falah. Eén keer maakte het vicariaat een flink bedrag over voor herstelwerkzaamheden. Later bleek dat hun aandeel was betaald uit het spaargeld voor  Al-Falah. Ondanks herhaalde verzoeken weigerde het vicariaat het geld over te dragen aan de Salesianen, die nu toch het tehuis bestuurden.

Vanaf 2003 heeft FoA elk jaar een bedrag naar Quetta overgemaakt voor de lopende kosten van Al-Falah, in 2003 een klein bedrag en vanaf 2004 jaarlijks ongeveer Euro 10.000. De Stichting heeft krachtig gepleit bij het bisdom  voor het aanwenden van fondsen uit de nalatenschap van Otto voor het functioneren van het jongerentehuis. In de overeenkomst tussen het bisdom en de Salesianen in mei 2004, waarbij de verantwoordelijkheid voor Al-Falah overgedragen werd aan de Salesianen, is deze verplichting van het bisdom ook vastgelegd. Het bisdom is deze verplichting nagekomen hoewel de Salesiaan Peter Zago herhaaldelijk op betaling ervan heeft moeten aandringen.

Najat, het team van oud-leerlingen van Al-Falah, dat zich had ingezet voor de toekomst van Al-Falah, werd door de Franciscanen als onervaren beschouwd en daarom uitgesloten als gesprekspartner voor de toekomst van Al-Falah. De moeilijkheden tussen Najat en het vicariaat brachten Friends of Al-Falah in een lastige positie. De stichting besloot  om het tehuis  te steunen, maar tegelijkertijd de steun aan het  onderwijsprogramma, dat Najat had geïntroduceerd, voort te zetten. Na een veelbelovende start van dit programma kreeg Najat echter managementproblemen, die onoplosbaar bleken te zijn ondanks hulp van buitenaf. Toen de voorzitter door te grote ambitie en een gebrek aan voorzichtigheid in politieke  corruptie verwikkeld raakte, kon Friends of Al-Falah niets anders doen dan stoppen met de samenwerking. Dit vond plaats in 2015.

Na een bescheiden begin breidden de Salesianen hun aanwezigheid in Quetta sterk uit. Ze bouwden op een ommuurd terrein tegenover het Bolan Medical College een  school voor ongeveer 800 jongens en meisjes, onder wie veel Afghaanse vluchtelingen, een kleuterschool, een groot sportveld, een overdekte sportruimte, een kerk, een grote hal, een meisjes tehuis, een huis voor de zusters en een huis voor de Salesianen.  Het tehuis van Al-Falah werd naar deze compound overgebracht aan het einde van 2009 en geïntegreerd in het Don Bosco Learning Centre.

Op dit moment runt pater Samuel het jongerentehuis. Hij is de eerste  Salesiaan van Pakistaanse afkomst in Quetta. Hij kwam na afronding van zijn studie naar Quetta en nam de leiding over het tehuis over als eerste  Pakistaanse directeur van Al-Falah. De voortzetting van het werk van Otto voor de kansarme jongeren in Quetta is sindsdien bij hem in goede handen.

Vanaf 2003 heeft Friends of Al-Falah in totaal € 417.518 kunnen bijdragen aan projecten voor kansarme jongeren in Quetta. De stichting heeft vanaf het begin tot nu toe minder dan 1% van de ontvangen fondsen aan onkosten besteed.

Back to top